De weg van Tours naar Saint-Jacques-de-Compostelle

De weg van Tours naar Saint-Jacques-de-Compostelle
In de Xe en de XIe eeuw werd de route van Tours afgelegd door feodale heersers en leenheren, maar ook door de grote groepen die uit Noord-Europa naar Galicië gingen.
Pleine Selve is de eerste pleisterplaats op de route van Tours in de Gironde: van de in 1145 door Geoffroy de Lauroux, aartsbisschop van Bordeaux, in een groot bos gestichte Norbertijnenabdij, zijn slechts ruïnes en een kerk met een vlakke koorafsluiting overgebleven met drie mooie ramen aan de oostzijde waar het licht doorviel. Vervolgens kwam Cartelègue, eigendom van de Benedictijnenabdij van Blaye en een mooie kerk in typische stijl uit de Saintonge-streek, met een opmerkelijke gevel die gedomineerd wordt door een klokkentoren uit de XVIe eeuw. De volgende etappe van de bedevaartgangers liep tot Saint-Martin-Lacaussade, een kleine romaanse kerk met een half in de grond verdwenen portaal als gevolg van de opeenvolgende ophogingen van de weg, met de karakteristieke vlakke koorafsluiting van de bouwwerken van de Maltezer orde. De rechthoekige romaanse koorafsluiting heeft drie ramen met een rond venster erboven. Men ziet er een gotisch kruisribgewelf, met op het punt waar de spitsbogen bij elkaar komen een sleutel met een dubbele, achtbladige roos. Elk snijpunt van de bogen is verfraaid met een engel die de engelen aan de overzijden langs de ribben van het gewelf de hand reikt.

In de Ve eeuw verkondigde Saint Roman, een discipel van Saint Martin de Tours, in Blaye het evangelie. Rond de graftombe die zijn stoffelijk overschot bevat werden een kerk en een abdij gebouwd. Rondom het snel vermaarde heiligdom vormde zich een grote begraafplaats waarvan het belang dat van Saint-Seurin de Bordeaux evenaart.
Volgens de Karolingische legende ligt het lichaam van Roeland, de neef van Karel de Grote, in de graftombe aan de zijde van Saint Romain. Roeland is er met twee van zijn vrienden, bisschop Turpin en Olivier ter aarde besteld. Tegenwoordig is er behalve een paar ruïnes, niets meer over van de abdij van Saint-Romain, het gebouw werd verwoest tijdens de bouw van het talud van de citadel in de XVIIe eeuw door Vauban. Het klooster van Minimes bood onderdak aan de bedevaartgangers.
Vanuit Blaye gingen de Santiago-gangers naar Bourg en hielden halt bij de Chapelle Saint-Jacques. Een hospitaal in Saint-Lazare (XIIe eeuw) bood onderdak aan arme en zieke pelgrims. De bedevaartgangers liepen door de indrukwekkende poort van de haven om zich via de oevers van de rivier naar het pelgrimshuis in Bec d’Ambes te begeven. In Tauriac gaan de bedevaartsgangers naar de église Saint-Etienne, met invloeden uit zowel de Saintonge als de Languedoc. In de brede zuidelijke zij-ingang van de romaanse poort staat een fijn gebeeldhouwde voorstelling van het Paaslam. De daklijst is verfraaid met gebeeldhouwde kraagstenen met profane voorstellingen, van lierspelers en acrobaten.
De Chapelle de Magrigne (kerk van de H.Quiteria) in Saint-Laurent-d’Arce is aan het einde van de XIIe eeuw of in het begin van de XIIIe eeuw door de Orde van de Tempeliers gebouwd met een elegante eenvoud en fraaie afmetingen. De kerk heeft een gewelfd schip met een spitsdbooggewelf, afgesloten door een vlakke koorafsluiting met drie smalle, spits toelopende vensters. Boven de mooie poort van de westelijke gevel prijkt de galerij van de klokkentoren met twee bogen.
Hierna gingen de bedevaartgangers naar Bordeaux waar hun drie belangrijke heiligdommen wachtten. De basilique Saint-Seurin, waar Karel de Grote de jachthoorn van Roeland zou hebben neergelegd bij zijn terugkeer uit Ronceveaux, heeft in de zuidpoort een beeld van de apostel en bedevaartganger St.Jakobus,met pelgrimsstaf en een schelp onder de ransel.
De cathédrale Saint-André, een juweeltje van gotische bouwkunst is een tweede veel bezochte pelgrimsstop. Een muurschildering uit de XIVe eeuw in de Sint-Annakapel stelt de H.Jakobus voor, de pelgrimsstaf in de hand, waaraan een knapzak is vastgemaakt. Hij is ook aanwezig in de koninklijke poort temidden van de apostelen, de schelp op een duidelijke plaats op de knapzak en de pelgrimsstaf in de hand.
De basilique Saint-Michel, een van de mooiste kerken van Bordeaux is het centrum van een belangrijke broederschap van bedevaartsgangers naar Santiago. Aan de rechterzijde van het koor is nog altijd een kapel aan hem gewijd. Men ziet er boven het altaar een prachtig schilderij van de Verheerlijking van H.Jakobus, getooid met pelgrimsstaf en schelp. De gebrandschilderde ramen bevatten taferelen uit zijn leven. De zuidpoort is rijkelijk versierd met schelpen en op de westpoort links bovenaan staat de H.Jakobus met het geopende boek.
Van Bordeaux gingen Santiago-gangers naar de priorij van Cayac in Gradignan, met de Onze-lieve-vrouwe-kerk en hospitaal. In deze vandaag de dag gerestaureerde gebouwen, die een zeldzame bouwkundige neerslag vormen van de grote pelgrimsroute, is het niet moeilijk om zich in te leven in de sfeer rond een pelgrimstocht zoals die in vroeger eeuwen afgelegd werd. Deze instelling, officieel erkend in 1229, werd beheerd door de Lazaristen en daarna door de Kartuizers van Bordeaux; de bedevaartgangers naar Compostella vonden hier onderdak en verzorging. De plaats heet ook nu nog altijd bedevaartgangers welkom, net als in de XIIIe eeuw.
De bedevaartgangers begonnen hierna aan de zware tocht door de Landes om samen te komen in Belin-Beliet zoals aanbevolen in de Pelgrimsgids. Volgens de Karolingische legende liggen in Belin de lichamen begraven van de dappere ridders Olivier, Gundobad, koning van Friesland, Ogier, koning van Dacie, Arastain, koning van Bretagne en Garin, de hertog van Lotharingen die in Spanje sneuvelden. De oude église Saint-Pierre de Mons ligt met zijn begraafplaats in een heideachtig landschap. De buitenmuren van de koorafsluiting en het schip zijn opgetrokken uit kleine blokken natuursteen die kenmerkend zijn voor de XIe eeuw, de poort stamt uit de XIVe eeuw en het interieur is verfraaid met houtsnijwerk.